In de jaren 30 van de vorige eeuw ontstond de behoefte aan een kleine en snel beschikbare locomotief voor rangeerwerk. Na een tweetal prototypes is de eerste serie locomotoren ontstaan, de serie 100. Deze serie telde 49 stuks. Deze locomotoren beschikten over een benzinemotor en werden bediend vanaf de treeplank.

Na enkele jaren is besloten om een grotere en sterkere versie van deze locomotoren met diesel-electische aandrijving te laten bouwen, zodat ook meerdere goederenwagons tegelijk over langere afstand naar depotstations gebracht konden worden. Ze werden gebouwd bij Werkspoor Amsterdam, voorzien van Stork Ganz Jendressik dieselmotoren en Heemaf of Smit electrische uitrusting. Er werden tussen 1934 en 1940 in totaal 121 stuks in bedrijf gesteld, met de serienummers 201 t/m 321.

De machines kregen, door het mekkerende geluid van de fluit, al snel de bijnaam Sik. De serie 100 kreeg de bijnaam Oersik.

Oorspronkelijk werden alle machines voorzien van een groene kleur. In de jaren 70 is dit de geel/grijze NS-huisstijl geworden. De sikken werden gebruikt voor lichte rangeerklussen tot in de jaren 90. ARBO-wetgeving zorgde ervoor dat de locomotoren als onveilig werden bestempeld en veel machines werden buiten dienst gesteld.

Technische gegevens serie 200-300:
*Motorvermogen 72 pk
*Max. snelheid 60 km/u
*Aanzet-trekkracht 5000 kg
*Lengte over de buffers 7,2 m
*Gewicht 21 ton

In Model

Het Sikje was het tweede locje in Vlieringen, aangeschaft voor het luttele bedrag van 45 gulden. Met behulp van een setje van Philotrain zijn er extra zandkastjes geplaatst, evenals oude lantaarns en luchtslangen in de bufferbalk. Digitaliseren zal er voor dit locje niet in zitten, er is domweg geen ruimte in het model. De laatste geleverde Sikjes van Roco bieden meer ruimte waardoor digitaliseren wel tot de mogelijkheden behoort. 

zie ook: Stichting de Locomotor

Laatst aangepast (zondag, 04 april 2010 16:13)